Shaikh-ul-Mashaik Maheboob khan
Shaikh-ul-Mashaik Mir Pyarumian Maheboob khan was de vijf jaar jongere broer van Hazrat Inayat khan, de dichter-filosoof, geleerde muzikant en mysticus.
Toen Hazrat Inayat khan zijn plannen maakte om naar het Westen te gaan, was het overduidelijk dat Pyaru Maheboob en hun neef Mohd. Ali khan hem volgden op deze “Grote Tour door het Westen” (1910). Hun jongere broer Musharaff khan volgde hen drie jaar later. De broers waren hecht en verenigd in hun muzikale genialiteit en mystieke diepgang.
Maheboob had een uitzonderlijke stem, die zowel door Hazrat als later door westerse specialisten werd geprezen. Hij volgde Hazrat twee keer in zijn leven op. Eerst als hoogleraar aan de Baroda Gayanshala Academy of Music. Een kwart eeuw later, in 1927, volgde Maheboob Hazrat op als leider van de Soefi-beweging, die was gevormd rond Hazrat’s leringen.
De bijdrage van Maheboob khan aan de Indiase soefitraditie in het Westen
Maheboob khan’s grootste en blijvende bijdrage aan Hazrat’s Indiase soefisme in het Westen zijn zijn composities voor zang en pianobegeleiding. Veel van deze composities bevatten Indiase melodieën uit hun Barodan Gayanshala- en Maulabakhshi-repertoires. Maheboob creëerde ook composities op een aantal Engelse gedichten van Hazrat Inayat khan, die zeer gewaardeerd werden in de soefi-bijeenkomsten waar ze werden uitgevoerd. Omdat hij een afkeer had van de commercialisering van wat voor hem een heilige kunst was, werden slechts enkele liederen tijdens zijn leven gepubliceerd, en dat door anderen. De schoonheid van zijn muziek blijft echter diep indrukwekkend.
Maheboob khan en zijn gezin
In 1924 trouwde Maheboob khan met Shadibiy, de dochter van Ekbal Dawla van Goens – van Beijma, een toegewijde Nederlandse mureed van Murshid. Dit verklaart zijn regelmatige verhuizingen tussen Den Haag en Parijs, en ook waarom hij door de Tweede Wereldoorlog in Nederland werd vastgehouden. Het echtpaar werd gezegend met twee kinderen: Raheem-u-nissa (1925) en Mahmood (1927).
Maheboob khan overleed in 1948 in Den Haag.
